‘Dear Mr.
Sexmaster / dirty Marrisa crave for your love vehicle FAST’
… Delete.
‘Canadian
Pharmacy viagra cialis for make benefit Glorious erection of alpha man’
Delete!
Aan dit tempo zou hij de dag geen minuut inkorten. Het
informatief ding beloofde meer weerstand te bieden tegen instant verwijdering. Het
was iets van de bank over manieren om de huidige economische crisis de baas te
blijven, met de obligatoire stock foto van twee professioneel ogende jonge
mensen, schijnbaar casual met een pen wijzend naar een blad en glimlachend
alsof hun leven ervan afhing. Voor nul Kwanza per maand (asterisk) zou de bank
u met persoonlijk advies bijstaan op elk moment van de dag (asterisk) opdat u
freewheelend door de crisis heen zou fietsen. Tony moest spontaan denken aan de
mirakeldokter een paar huizen verder, meer bepaald aan de bloedzuigers die hij
niet aflatend (of juist wel?) aanwendt bij zijn genezingen. Vanuit zijn
achtergrond had hij geen boodschap aan kwakzalverij. Hij had er niet voor niets
vier jaar hogere studies opzitten aan het hoger college van M’banza Kongo om de
titel van Maraboet/Ziener te verdienen. Een gevoel van trots borrelde in hem
op, terugdenkend aan de opofferingen die hij had ondergaan en het glorieuze
moment waarop hij het getuigschrift in ontvangst mocht nemen. Met een speelse
tik van zijn voet wentelde hij zijn draaistoel honderdtachtig graden. Hij leunde
achterover en kwam hij oog in oog met deze kundig ingekaderde oorkonde. Net als
hij aan boord stapte van de droomboot - enkele richting: Weemoedland - werd het
vaartuig brutaal gekelderd door het plotse geluid van geklop aan de deur.
Nog voor Tony zich goed en wel had omgedraaid, laat staan
dat hij ‘binnen’ of ‘ja’ had gezegd, stond Antonio al in zijn bureau. De
abrupte reis terug naar de realiteit zorgde voor de nodige irritatie, maar de
bezorgde uitdrukking op het gelaat van zijn assistent, deed hem zijn giftige
opmerking inslikken. Hij ging ervan uit dat het overmatig wijzen op zijn
onbeholpenheid een rem zou zetten op zijn enthousiasme. En dat laatste was hem
veel meer waard dan betrapt te worden op, pakweg, het vissen naar neuskeutels.
‘Tony, sorry dat ik zo binnenval, maar we hebben een klant!’
Dit kwam aan als een tweede mentale schok. Terugkomen naar
een realiteit van stijlvol lanterfanten naar de saaie orde van de dag was één
ding, maar de aanwezigheid van een klant voegde daar nog een dosis urgentie aan
toe. De impact van dit nieuws zou marginaal zijn, ware het niet dat Tony’s
praktijk amper nog volk over de vloer kreeg. Toen de crisis pas om zich heen begon
te slagen, kwamen de mensen nog vlot zijn kant uit. Het leek allemaal zo erg
niet en ze hadden nog budget om te spenderen aan zijn voorspellende gaven.
Gaandeweg verdween met de hoop ook zijn geloofwaardigheid. Hoeveel overtuiging
hij ook in zijn rituelen legde, het had geen enkel effect meer. In de geesten
van de mensen was de toekomst tegelijk zonneklaar en aardedonker.
‘Een klant, zowaar. Met wie hebben we de eer?’
‘Een zekere mijnheer João Miguel Ndoni. Geen idee wie het
is, waar hij ziet er nogal belangrijk uit. Hij wil een voorspelling over de
inflatie, zegt hij.’
‘Die Antonio slaagt er toch altijd in om compleet
wereldvreemd te zijn’, bedacht Tony. Als hij het goed voorhad, zat in zijn
gerieflijke, maar afgeleefde wachtkamer de man die op ongeveer elke affiche in
de stad prijkte. João
Miguel ‘De Leeuw’ Ndoni, burgemeester van Soyo en protégé van president Dos
Santos. Gehard als bevelhebber in de burgeroorlog, slim genoeg om een
handje te hebben in de petrochemie en bovendien notoir slecht gehumeurd. Van
hem werd gezegd dat het gezelliger was om in discussie te treden met een
donderwolk.
‘Zeg dan dat je hem tenminste iets te drinken hebt
aangeboden?’
‘Hij vroeg om een koffie, maar zoals je weet is ons toestel
al twee weken defect. Ik heb hem dan maar een glas water aangeboden’, stamelde
Antonio
‘Dat begint al goed…’, bracht Tony uit als een gesproken
zucht. Hij had veel zin om zich af te reageren op zijn assistent. Na bijna vijf
jaar dienst wist hij nog altijd niet of hij over hem tevreden kon zijn of niet.
Hij maakte geen al te grote fouten, hij was beleefd genoeg, begon meestal stipt
op tijd. Eigenlijk niets om met recht en reden kwaad over te worden. Maar zijn
nonchalante, schijnbaar achteloze manier van handelen bracht hem vaak op de rand
van razernij. Mocht het plots konijnen beginnen regenen, hij zou reageren met
een onderkoelde ‘oh, kijk, het regent konijnen’. Tony besloot om het zo te
laten en zijn daadkracht te tonen, in de ijdele hoop dat zijn professionalisme alsnog
aanstekelijk zou werken.
‘Vooruit, je weet wat gedaan. Leg mijn beste gewaad klaar in
de kleedkamer en check voor de zekerheid of er niets in de offerruimte is
blijven liggen. En breng alvast de kip.’
Tony klauterde uit zijn draaistoel en fatsoeneerde zich. Gelukkig
had hij vandaag geen al te sjofel hemd aan. ‘De eerste indruk vormt het
fundament van de relatie met de klant‘, werd hem meer dan eens duidelijk gemaakt
tijdens zijn opleiding. Terwijl hij aanstalten maakte om naar de wachtkamer te
gaan, zag hij dat Antonio zelfs voor zijn doen amper de indruk gaf van in actie
te zullen schieten.
‘Tony, sorry, maar… Wat de kip betreft, zitten we met een
probleem.’
‘Welk probleem?’, zei Tony, gemakshalve ervanuit gaand dat
het gewoon niet het meest welriekend stuk pluimvee was.
‘Er is geen kip vandaag. Gisteren hebben we de laatste
gebruikt.’
‘Hoezo geen kip? We hebben toch altijd eentje op reserve?
Wat is dat nu?’
‘Ik weet het Tony, maar de laatste tijd kwam er zo weinig
volk dat ik dacht te kunnen besparen door geen reservekip aan te houden. Met
dat geld betalen trouwens we de koffiepadjes. En tot nu toe is het altijd vlot
gelukt om op tijd een nieuwe te vinden, maar deze morgen was er een incident op
de markt en…’
‘Antonio, jongen, jouw verhaal interesseert mij niks. Ik
moet nu een kip hebben! Wat moet ik nu gaan zeggen tegen die kerel!?’
Tony probeerde met heel zijn wezen om de kalmte te bewaren,
maar er waren te veel elementen die zijn beheersing ondermijnden. Het mogelijke
gezichtsverlies, de gevolgen voor zijn praktijk of zelfs voor zijn eigen vege
lijf. Die dolgedraaide militair was totaal onvoorspelbaar, zelfs voor iemand in
Tony’s branche.
‘Er zijn nog eieren in de koelkast. In essentie is dat ook
kip, nietwaar?’
‘Ik… Hoe kan ik in hemelsnaam de nodige suspense opbouwen
met een debiel ei in mijn hand, Antonio? Dat ding beweegt niet, dat vreest niet
voor zijn leven. Dat wekt welgeteld nul ontzag op bij de klant. De essentie van
de kip is juist het spektakel!’
Het ritueel slachten van de kip was voor Tony in veel
opzichten de beste manier om luister te geven aan zijn voorspellingen. Het
beest is nu eenmaal chaos op twee poten. Het kon van een bescheiden ‘bok’ naar
uitzinnig gekakel gaan in een oogwenk. Het kon vervaarlijk beginnen fladderen,
met een wolk van pluimen tot gevolg; toch hield je het met één hand in bedwang.
Na acht jaar in het vak, kende dit dier geen geheimen meer voor Tony. Als de
klant met kleine kindjes langskwam, dan zorgde hij met een subtiele wijziging
van de plaatsing van het mes dat het dier nog even zonder kop zou rondlopen. De
gillende koters, en de glimlach van herkenning bij de klant – we’ve all been
there - bezorgden hem steeds de nodige vreugde. Arrogante tieners kreeg hij
steevast stil door er een extra bloedige vertoning van te maken, met als
toemaatje het hart dat hij met één flukse beweging het luchtruim in schoot. Dan bevonden ze zich al snel terug onder moeders rokken.
‘Ik weet dat het tegen uw principes is’, kwam Antonio
tussen, ‘maar we hebben nog Pepe, ons dwergkonijn.’
‘Nee. Nee nee nee. Nee, dat is uitgesloten. Ik doe geen
zoogdieren en daarmee uit.’
Als we abstractie zouden maken van de kip, dan kon je gerust
Tony een dierenvriend noemen. Hij beschouwde het al een mooie oefening in
humaniteit om voor schijnbaar minderwaardige schepsels respect op te brengen.
Soms stond hij op het punt om een vervelende vlieg de genadeslag toe te dienen,
maar dan bedacht hij: ‘laat ik beter zijn dan dit. Laat ik de continue cyclus
van moord en verderf van dit aardse bestel overstijgen en deze vliegende
vlaaienvriend de vrijheid schenken.’ Die beheersing had hij natuurlijk lang
niet altijd, maar was het wel het geval, dan kon hij achteraf genieten van een
gevoel van vervulling, van het idee deel uit te maken van iets groters, van een
gedeeld bewustzijn dat van mensen mensen maakt. Kippen, daarentegen, konden hem
gestolen worden. Deze gedegenereerde achterkleinkinderen van de dinosauriër,
deze intellectuele laagvliegers bestonden enkel bij de goede gratie van de
mens. Geen mens? Geen kip. Los daarvan deed hij niet geringschattend over het
nut van de kip, integendeel. Maar hij zag zich nog eerder in staat een
emotionele band te ontwikkelen met een stuk fruit, dan met het genoemde
gevogelte.
Daarenboven had hij sympathie voor het kleine konijn. Het
dingetje werd bij het minste geluid doodsbenauwd, maar toonde daardoor
tenminste inzicht in de gevaren die overal rondom hem lagen te loeren. Hoe het
dan toch met zijn pluizig lijfje de moed vond om door de tuin te huppelen, op
zoek naar wat vers loof om aan te knabbelen… Tony vond het vele malen
heldhaftiger dan de je-m’en-foutistische kip die je bijna moest tegenhouden of
ze zouden borst vooruit in de bek van een vos vliegen.
‘We moeten iets
bedenken, Antonio, want ik kan die man niet langer laten wachten. Of erger nog,
naar huis sturen.’
‘Ik heb anders toevallig onlangs iets over inflatie
gelezen’, probeerde Antonio. ‘In de eerste plaats zou de regering werk moeten
de aanbevelingen op organisatorisch vlak zoals bepaald door het IMF. Als ze
daar werk van maken, dan kunnen we op middellange termijn genieten van
voordelige leningen bij dit fonds, in plaats van zoals nu ons hele hebben en
houden te verpatsen aan de Chinezen, in ruil voor kortlopende leningen aan
woekerinteresten. Dan kunnen we geleidelijk aan controle nemen over ons
natuurlijk patrimonium, werk maken van een kwalitatief onderwijs en zodoende
ons land in de richting duwen van een bestendige toekomstig. Natuurlijk moet de
corruptie tegelijkertijd kordaat aangepakt worden.’
Tony keek zijn assistent bevaderend aan.‘Antonio, mijn waarde, die man is
gekomen om bloed te zien. Geef hem die uitleg en de kip wordt overbodig. We
moeten gewoon…’
De deur van de wachtkamer werd open geknald met een dusdanig
misprijzen voor de deur en zijn hengsels, dat het elk ander geluid spoorslags wegvluchtte.
Een duidelijk geagiteerde man zette een stap door de deuropening en draaide
zijn hoofd, langzaam maar gedecideerd, in de richting van het duo. Zijn
bloeddoorlopen ogen fixeerden zich op Tony, die als door een basilisk versteend
bleef staan.
‘Ik ben het hier gehad met al dat wachten! Wanneer begint die
godverdomse sessie!?’
Het verstandelijk vermogen, zorgvuldig opgebouwd doorheen de
jaren, gevoed met kennis, ervaring, deductie, fouten maken,… Die persoonlijke
architectuur die referentie biedt in onzekere tijden, die het mogelijk maakt om
gestructureerd te werk te gaan. Dat godspartikeltje dat ons onderscheid van de
koe, het konijn, de kip. Heel deze interne wereld van logische gevolgtrekkingen
en rationaliteit implodeerde in Tony en werd teruggebracht tot de grondvoorwaarde
van het bestaan: overleven.
Tony hield zijn ogen strak gericht op de woesteling, zodat hij vanuit een mondhoek aan zijn assistent de instructie gaf.
‘Breng Pepe.’
