donderdag 5 december 2019

The regulars

It was one of those nights; you wonder how nobody died. The sky was laden with clouds that shone green against the dark backdrop of the sky, each layer seemingly moving in another direction, manipulated by a gnarly wind that also tugged away mercilessly at the worn-out door of the bar. Kang, Destroyer of Worlds, entered it with little or no respect for the shabby state of it, and moved towards the stool on the edge of the counter. Reaching that spot would mean the end of a journey that took him across countless galaxies, imploding nebula's and the ever fearsome Borgobod tribes. Because in this exact place, in this godforsaken corner of the universe, right here is where they would meet.

Expertly twirling a straw between her fingers over the remnants of a Pan Galactic Gargle Blaster, her mind was a collection of random thoughts playing kaleidoscope with her conscience. Queen Ursula The Incorruptible was immersed in memories of the trail that led her to this site, excerpts of  the daily meetings with vassals pledging fealty to her crown, the useless underlings wasting her time with inanities,... It was not like she was particularly looking forward to meeting Kang, but at least it would put a temporary halt on this incessant train of thought. The creak of the hinges betrayed his arrival. The train gently switched tracks.

"I'm sorry, I'm late," he said, "I had to fight of this demonic horde on the way to the city center. It's always the same

"Don't worry," she said, "take your time to settle down. I was a bit early so my nerves are already at ease," she said, pointing at her empty drink.

"Oh I see... Shall I order two more?"

"Sure, go ahead,' she nodded. "So, Kang... Tell me, do you feel up for a regular conversation?"

"Totally. I've had it with the macho crap my fellow warlords have been giving me lately. One more story about glorious vanquish and I swear, I'll bust in a couple of heads. Sorry, I'm drifting off. Do go ahead and dazzle me with regularity."

He steadied himself on the stool, adjusting the weaponry on his belt for his comfort, while Ursula arranged her fresh drink so it is within reach at all times.

"Ok, here goes. Earlier today I went to the chemist. You know, to buy some curative beads. I took a large box of them, because that way I will have enough for two months. I know they're not cheap, but if I buy one box at a time, well, they're even more expensive. I could explain to you the benefits of bulk buying, but I'll save that for another time. Also, I'm not really fond of shopping, and especially not of going to a chemist for just one box of beads. It makes me feel guilty, you know, like a bad customer."

"You feel like you are... taking up too much of their time in relation to the item you're buying?" Kang interrupts hesitantly.

"Exactly," she states. "It makes me want to buy stuff I don't actually need just to sooth my conscience. Making it an even more expensive enterprise than buying just the one big box."

"But the thing is," she said, pausing to take a sip,"the woman behind the counter made a mistake, and had to point it out to her, full knowing that she would be totally embarrassed."

"She billed the beads twice, Kang," she almost whispered. "I had to tell her about it. They were expensive as it is, and I bought some quality hand lotion as well."

"How did she take it?" Kang asked.

"Well, she freaked out a little. Which made me quite uneasy as well. The whole scene was way to nervy for what it was. The fact that there was also a dog added to the situation. It was tied to a table and but the table couldn't hold it. It"

"A dog...", Kang said pensively. "what is a dog doing in a chemist's!?"

"I don't know," she uttered, "it was just there."

"Yeah...Not that I doubt your sincerity, Ursula, but it almost feels like you added the dog to spice it up. There's no need for that in the context of this conversation."

"I'm telling you, Kang, there was a dog in there. It tore at its leash the entire time, making the table slide across the floor. Don't steer away from the essence of this story, which is clearly my predicament with the chemist lady. The only thing you can accuse the animal of is providing a slightly irregular background to an otherwise perfectly normal story."

"I see," he said, "but I'm afraid that the dog just came in and ran off with the ordinary nature of your tale, and turned it into something farcical. You're not to blame for it, of course; it just happened that way."

"Anyway," she said, getting somewhat agitated, and therefore leaving a long pause to cool the mood,"the lady apologized profusely and changed the bill. There, you have it. Little or no plot, nobody got hurt, period, end of story. Just make abstraction of the dog situation. How did you like it?"

He took a moment to gather his thoughts, then turned again and gazed straight into her beautiful singular eye, and said "At first I was a little thrown off by our little friend entering the scene. But in hindsight, its presence provided the necessary contrast to fully develop the regularity of your story. Without it, certain elements of the story-line could have become too big for what they were supposed be. It's like... a bowl of plain rice next to a hot spicy dish. I deeply appreciate it. Thank you so much, Ursula."

She smiled approvingly, and outside the wind had swept away a patch of clouds, briefly revealing the twin moons who shone their light in perfect unison over the bar.



dinsdag 29 oktober 2019

Wimpostor

Soms komt een concept ongewild je hoofd binnengewandeld. Het trekt de deur achter zich dicht, zet zich neer, vraagt een koffie met melk en een gesprek ten gronde. Ergens in een verdwaalde tweet had iemand het over 'impostor syndrome', ofte oplichterssyndroom in het mooi Nederlands. Kort door de bocht houdt het in dat je met de angst rondloopt dat iemand je gaat betrappen op het feit dat je helemaal niet competent bent in wat je doet en dat je je er al die tijd kundig hebt uitgeluld. Je baas die je kennis plots openlijk in vraag stelt, waarna je door de mand valt, met schaamte, verlies aan prestige en onmiddellijke drankzucht tot gevolg. Mensen die aan dit syndroom lijden, denken dat hun succes eerder te wijten is aan geluk dan aan kunde en dat ze anderen de hele tijd lopen te bedriegen. Het lijkt voor hen alsof ze zich slimmer voordoen dan ze in werkelijkheid zijn. 

Nu ken ik wel wat exemplaren voor wie het geen syndroom is en die experten zijn in het opblazen van hun eigen merite, maar met die zomergast ga ik wel op een andere keer in gesprek. Dit syndroom is me namelijk op het lijf geschreven, en des te meer nu ik een nieuwe job heb. Elke vraag waar ik niet meteen een antwoord op kan bieden, komt over als een faling van mijnentwege. Dat geeft stress. En die stress laat een lekker warm badje lopen waarin elke volgende onbeantwoorde vraag kan gaan sudderen. Op het einde van de werkdag is de badkamer van mijn brein één grote schuimpartij en nog steeds is niemand er properder van geworden. De werkgever weet natuurlijk dat je niet alles van de eerste keer begrijpt, dan sommige problemen gewoon het gevolg zijn van ingewikkelde in-house procedures waar ze zelf amper wijs uit geraken. Maar dat maakt mijn rekening niet. Ik, de gepretendeerde alwetende, zou toch in een vingerknip elk probleem te baas moeten kunnen? Ben ik dan niet binnengehaald als de nieuwe messias van de boekhoudkunde?

Ook kenmerkend voor deze schijnbedriegers is dat ze niet kunnen omgaan met complimenten en succes. Ze begeleiden een schouderklop voor geleverd werk met de reactie dat een aangeklede aap die heeft afgeleerd om met zijn eigen fecaliën te gooien dit ook had gekund. Daar gaat ook schuld mee gepaard, want waarom zou iemand als ik die kudos verdienen? En is het simpele feit dat ik hier zo verwrongen over denk niet voldoende bewijs dat succes niet voor mij is weggelegd? Normale mensen hoeven zulke interne vraagstukken toch niet op te lossen? Wel, als ik Wikipedia mag geloven, lopen zeven op de tien individuen in meer of mindere mate met deze gedachten rond. Ik vind het een hele geruststelling om te weten dat we allemaal een beetje zitten te prutsen. De kunst is om dat idee in het achterhoofd te houden en het als een dekzeil over al die waanideeën te spannen. Dan kan je rustig oplichter spelen over het niet hebben van deze gedachten. 

Je kan het concept opentrekken naar algemene sociale interacties. Neen, lang niet iedereen kijkt heel de tijd naar mij, wachtend op de kleinste misstap om mij belachelijk te maken. Toch is dat altijd de ingesteldheid waarmee ik vertrek en moet ik me er telkens weer overzetten. Ook in omgang met mensen die ik al lang ken, is er een klein beetje koudwatervrees bij de begroeting. Godverdomme, ik heb misschien bepaalde uiterst subtiele signalen verkeerd geïnterpreteerd, waardoor nu een goede vriendschap van twintig jaar teneinde loopt. Die gedachte verdampt snel na het eerste contact, maar ze houdt me wel bezig in de hele aanloop naar de ontmoeting. Nog erger. Een date. Een nieuw vrouwmens dat er verdomme sympathiek uitziet. Die zal natuurlijk los door mijn dwaze galanterieën en flauwe moppen kijken en zien dat ik stomweg naar iemand zoals zij verlang. Stel je maar eens voor. Dame, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek en ik zal je hond worden. 

Tot slot - we zijn nog ver van een pointe, maar het moet een keer ophouden - achtervolgt dit syndroom mij ook in het tot stand brengen van tekstjes zoals deze. Wie da fuck ben ik om in deze tijd van tienduizend meningen per seconde nog wat meer gepalaver op de hoop te gooien? Taalkundig kan het toch veel beter, met die kromme zinnen van u! Bij gebrek aan doeltreffend dekzeil heeft het mij nu anderhalf jaar gekost om nog eens meer dan vijf zinnen achter elkaar te typen zonder te vervallen in zelfbeklag. Ja, ik weet wel dat het goed genoeg is. We zijn allemaal prutsers; bij de ene ziet het er iets professioneler uit als bij de andere. Bij dezen geef ik mezelf alvast een schouderklopje voor het aanbrengen van deze literaire fecaliën. Goe gedaan, jongen. 

zaterdag 7 april 2018

Loko A – Porbenspo, 7 april 2018




Opstelling:

           Carl
               Jo – Nico – Wim
Miche – Corre – Benji – Tim – Ken
                           Len


Telegrams, faxen, postduiven, de pony express… Alle mogelijke communicatiemiddelen werden aangewend om toch maar aan elf man te geraken voor deze nochtans zonnige affiche. Helaas, door blessures, skivakanties en andere drogredenen kwamen we maar tot een schamele acht krijgers, aangevuld met twee huurlingen van Loko B. Gelukkige kon onze Portugese tegenstander ook maar met tien beginnen; twee teamgenoten waren nog rond Kaap de Goede Hoop aan het varen.


Meestertacticus Carl opteerde voor een versterkt middenveld van drie centrale mensen, met voorin enkel Len om stennis te schoppen in hun defensie. Al snel bleek dat onze tegenstander uit Haren niet gespeend was van enig technisch vernuft. Na een goed uitgespeelde counter kon hun spits alleen op doel af, maar Carl was present met een excellente voetreflex. Ook een volgende aanval werd maar nipt afgewend door een goed terugkerende Nico. Het had er alle schijn van een lange middag te zullen worden. Niets daarvan. Geen vijf minuten later stond de 1-0 al op het bord nadat Ken de bal hard in de hoek knalde. Even later legde ondergetekende de bal terug op Ken, die de kort uitgevallen doelman in de korte hoek verschalkte. Wat later liet Len de bal centraal goed doorrollen naar de rechterflank, waar Miche vrij kon aanleggen en de verticaal bescheiden keeper alweer te grazen nam. Afwerken aan 100% dus, wat zou afzwakken naar een meer humane 80% tegen het einde van de wedstrijd. Onze Lusitaanse medemensen kregen het stilaan moeilijk in hun hoofdjes en begonnen ons – en vooral onze teerbeminde moeders – te verwensen voor al wat onkies is. De ref kreeg ook zijn lading vuilbekkerij te verduren, maar daarover leest u in een ander verslag. ‘Ken! Ken! Ken!’ weerklonk over het veld. Ken was slim tussenbeide gekomen tijdens een botsing tussen doelman en verdediger. Alleen op een leeg doel hoorde hij de lokroep van zijn medemaat Len, en liet hem onbaatzuchtig de 4-0 binnen prikken. De doelman kreeg het Spaans benauwd en verliet het veld, om even later toch terug te komen als veldspeler. Porbenspo nu met elf! Angst! Paniek! Geweeklaag! Ah, nee, gewoon 5-0 op hun bacalao. Een corner geraakte niet weg, en het was alweer Ken in de rol van aangever; hij vond Miche aan de tweede paal en die zette de gortdroge ruststand op het bord.

Na een deugddoende teug water tjokten we vol zelfvertrouwen weer onze akker op. ‘Vooral zorgen dat ze niet te snel tegenscoren, nu ze met elf zijn’. Ah nee, tien. Hun dribbelwonder en posterboy van een campagne tegen inefficiëntie voelde zich tekort gedaan door een scheidsrechterlijke beslissing en revancheerde zich dan maar op Tim zijn enkel. Tweede geel en dus opnieuw tien tegen tien! Even geen doelpunten te melden, dus kan ik onderstrepen dat Loko met geweldig veel overgave speelde, secuur vanachter, subliem op het middenveld en dodelijk vooraan. En we bleven kalm in het aanschijns van de Portugese tirades. Miche kreeg een beetje ruimte op de hoek van de grote rechthoek. Hij had na een lange afwezigheid al het beste van zichzelf gegeven; lopen zou alleen maar tot meer vermoeidheid leiden, dus knalde hij het leer maar proper in de kruising. 6 fucking 0, mijne jongen! En nog was het niet gedaan. Len glipte op rechts door de buitenspelval, stevende op doel af en liet de doelman kansloos met een pegel in de hoek. Hij kon bijna zijn voorspelde hattrick vervolledigen, maar knalde lichtjes vermoeid naast. Niet slecht voor ne rouquin. Porbenspo ging nog moedig voor de eerredder, maar geraakten niet verder dan een paar corners en afstandsschoten. 7-0 en gedaan! Nu gij!

Een onverhoopte knaller op een schoon zomers lentedagske; dat doet de burger deugd. Met wat geluk eindigen we nog op een mooie derde plaats, achter Tijl en kampioen Duvelshoek. Dikke pluim voor de B’s voor hun schitterende depannage, merci aan de Robin voor de delegatie en aan de andere helden van het Borghtse gras! Obrigado Loko!

P.S. 'Caralho' is blijkbaar penis in't Portugees

voorbeeld van een caralho


1-0   Ken
2-0   Ken
3-0   Miche
4-0   Len
5-0   Miche

6-0   Miche
7-0   Len

woensdag 14 februari 2018

Het Midden




Ik ben vrij zeker dat ik WhatsApp aan het checken was toen ik opkeek en je in de verte zag. Zo achteloos opvallend, zo innemend dat je heel mijn aandacht opslorpte. Ik wist meteen dat ik je kant uit moest, koste wat het kost. Maar hoe je te benaderen… Je leek compleet wars te zijn van je omgeving en wat deze van je kon denken. Hoe zou ik dan ooit voldoende indruk op je kunnen maken om je, al was het ook maar even, van koers te laten veranderen? Ik ben namelijk niet het type patser dat zich moeiteloos in je comfortzone manoeuvreert en je tot een reactie dwingt. Ondanks mijn geringe hoop op een goede afloop, besloot ik ervoor te gaan.

Geleidelijk aan kwam ik dichter bij je, op een manier die waarnemers zouden omschrijven als ‘nodeloos omfloerst’. Met iets meer panache was je nu al op de hoogte van mijn bestaan, maar termen als panache, of charmant-nonchalant, of boerenbranie zijn geen termen die men met mij associeert. Je merkte me zelfs niet op toen ik al vlak bij je was. De setting was er, de scène kon beginnen, maar jij was nog steeds een figurant. Het was overduidelijk mijn taak om je in het plot te betrekken. En ik wilde meer dan alleen je aandacht; ik wilde jouw reactie, je medewerking opdat dit alles in regel zou verlopen: ik maak aanstalten, jij beantwoordt mijn gebaar en we leefden nog lang en gelukkig.

Maar ik voelde zoals wel vaker de angst voor ontgoocheling opkomen. Het wordt toch allemaal weer niets. Ze hebben iets in hun kop en zo zal het zijn, niet anders. Is het angst voor verandering? Is dat waarom ze koppig hetzelfde patroon blijven volgen en nooit een keertje afwijken? Of ligt het eerder aan mij? Kom ik niet snel genoeg to-the-point, misschien? Ben ik te weinig overtuigend? De waarheid ligt natuurlijk ergens in het midden. Hoe dan ook: ik had geen zin om een beetje vruchteloos aan te klampen. Na al die jaren weet ik dat nergens toe leidt, behalve dan tot frustratie.  

De patstelling hield maar aan en je gaf nog steeds geen gewag aan mijn aanwezigheid. Het leek me onmogelijk dat je nog geen glimp van me had opgevangen, zo dichtbij was ik. Mijn rationele kant wist zich geen blijf met deze aanhoudende ongemakkelijkheid, waardoor ik werd overgelaten aan de willekeur van mijn impulsen. Het maakte mij niet meer uit wat goed was of slecht, correct of ongepast. Ik moest nu iets ondernemen, die grens overschrijden, ongeacht de uitkomst. Als in een waas ging ik uiteindelijk over tot de actie, begeleid door een mantra van inwendige vloeken: ‘Fuck it. Fuck it. Fuck it! FUCK IT!!’


Je was waarschijnlijk ook Messenger of iets dergelijks aan het checken, want je merkte mijn opgestoken middenvinger niet eens op toen ik, moe getergd, je rechts inhaalde.

dinsdag 28 maart 2017

Wimception




'Die van ons is kapot', zei ze. Ze keek me kort aan met haar reeën-ogen, maar legde haar focus meteen weer op het stapeltje A4'tjes dat in de invoerlade lag. Een druk op de knop en de documenten zouden in geen tijd het fysieke ruilen voor het digitale, voor een wereld waar ze in theorie voor altijd zullen bestaan, onaantastbaar voor verval, klaar om in een oogwenk geteleporteerd te worden naar de andere kant van de wereld terwijl zij daar in al haar vergankelijkheid achterbleef. Net nu ik bedacht dat haar blik zo'n onuitwisbare indruk naliet. De manier waarop ze de omhulling van haar concentratie voor een fractie van een seconde verliet om even het woord tot mij te richten, begeleid met een ongeremde glimlach. Ja, ze wist zelf al dat het gesprek niet verder zal leiden dan een kantoorgrap of een allusie op het stralende weer buiten ('een geluk dat het...'). Toch getroostte ze zich de moeite om deze conversatie een kans te geven*. Het zijn zulke kleine dingen die ik koester. De Godfried Bomans in mij komt dan helemaal tot wasdom en kleeft onnozele stickers op veel te zichtbare plaatsen. Intussen volbracht het toestel vlekkeloos zijn taak, waarna ze uitlogde en prompt richting haar dienst beende. Haar passen kordaat, zonder blijk te geven van haast. Licht en toch getuigend van kracht. Verdwaasd richtte ik me tot het toestel; ik besefte dat ik mijn badge vergeten was.

* Voor de kenners: het komt er natuurlijk op neer dat ik nog steeds geen vervolg op mijn opener 'ah, hebben jullie dan geen printer bij Legal?' Er moet toch meer te zeggen zijn? Zal ik het in het absurde trekken? Altijd dat absurdisme... Op de duur wordt dat banaal. Waardoor het banale weer absurd wordt. Cyclus te herhalen ad infinitum. Geef dan toch gewoon eens complimentje. Zeg dat ze er goed uitziet. Verpak het als een grap waardoor het lijkt alsof je haar lichtjes beledigt, maar dan, plots, binnen drie weken, wanneer ze de afwas doet, beseft ze eindelijk dat gij, die ene kerel van't werk toen de printer kapot was eigenlijk wel een compliment gegeven hebt. Een schuurspons verdwijnt in het ruime sop. Een enkele traan! 
Niet dus. Geen wonder dat ge niet aan een lief geraakt. En waarom schakelt ge nu ineens over van 'je' naar 'ge'. Het is incoherent en inconsistent. Twee keer ongeveer hetzelfde om te zeggen dat ge nooit twee keer hetzelfde doet. Tenzij dan abstract genomen, door telkens iets anders te doen, doet ge eigenlijk altijd hetzelfde, namelijk: 'iets anders'. **

** Dit soort denkpistes is dagelijkse kost voor mij. Voor u ook? Respect, bro. Wat terugkomt in al mijn hoofdelijke beslommeringen is de dualiteit die ik nu, eerder bij toeval dan met voorbedachte rade - wat vaker het geval is dan me lief is, ik surf maar een beetje op mijn onderbewuste- al tot twee keer toe tot uiting bracht. Twee is een mooi duo, ha. Ha. Ha.*** Ha. Ha. Het is best lastig om te reageren als telkens de twee kanten van het verhaal op je afkomen, waardoor je dus niet anders kan dan genuanceerd reageren. Altijd die nuance... Op den duur klinkt dat compleet hol. Kies iets. Sla een richting in, ook al is het de verkeerde. Ik zou liever nooit kiezen. Nee, ik wil geen dictatuur die zegt wat ik moet doen. Wel is er in een ideaal scenario voor mij telkens één duidelijke keuze weggelegd. De andere keuzes fungeren enkel als achtergrondkoor van de keuze waar ik een ticket voor kocht (en waarvan ik natuurlijk de eerste plaat heb (die natuurlijk de beste is)). 'Wat zou ik eten vanavond? He, daar valt een bloemkool van de groentekar.' Zou ik ze nog een berichtje sturen? He, ze vraagt zelf of ik niet wil langskomen.Wel, wel, dat is praktisch! Neen, dat moet natuurlijk ook niet altijd. Soms valt er trots te rapen uit het maken van de juiste keuze op het juiste moment. Maar niet heel dag die gekte aan mogelijkheden, alstublieft. Ik had nu evengoed naar een film kunnen kijken. Of de trap schuren. Of gewoon oefenen op een handstand. Tot mijn verbazing is 'handenstand' geen echt woord. Ik oefen dus al heel de tijd verkeerd...

*** Zwakke grap. Dit is in ijltempo een soort Inception van gedachten aan het worden maar fuck it. Ik wil ook eens Leo DiCaprio zijn of die Joseph Gordon-Jennifer-Love-Levitt. En ja, ik maak flauwe grappen aan honderdtwintig kilometer per uur****.

****Niks, het is goed geweest. Bedankt en tot nog eens.




dinsdag 23 augustus 2016

It's no sacrifice



Drie ongelezen mails, waarvan twee spam en één puur informatief. Met het uitzicht op een doodsaaie werkdag, overwoog Tony om deze berichten meer aandacht te schenken dan absoluut nodig was.

‘Dear Mr. Sexmaster / dirty Marrisa crave for your love vehicle FAST’

… Delete.

‘Canadian Pharmacy viagra cialis for make benefit Glorious erection of alpha man’

Delete!

Aan dit tempo zou hij de dag geen minuut inkorten. Het informatief ding beloofde meer weerstand te bieden tegen instant verwijdering. Het was iets van de bank over manieren om de huidige economische crisis de baas te blijven, met de obligatoire stock foto van twee professioneel ogende jonge mensen, schijnbaar casual met een pen wijzend naar een blad en glimlachend alsof hun leven ervan afhing. Voor nul Kwanza per maand (asterisk) zou de bank u met persoonlijk advies bijstaan op elk moment van de dag (asterisk) opdat u freewheelend door de crisis heen zou fietsen. Tony moest spontaan denken aan de mirakeldokter een paar huizen verder, meer bepaald aan de bloedzuigers die hij niet aflatend (of juist wel?) aanwendt bij zijn genezingen. Vanuit zijn achtergrond had hij geen boodschap aan kwakzalverij. Hij had er niet voor niets vier jaar hogere studies opzitten aan het hoger college van M’banza Kongo om de titel van Maraboet/Ziener te verdienen. Een gevoel van trots borrelde in hem op, terugdenkend aan de opofferingen die hij had ondergaan en het glorieuze moment waarop hij het getuigschrift in ontvangst mocht nemen. Met een speelse tik van zijn voet wentelde hij zijn draaistoel honderdtachtig graden. Hij leunde achterover en kwam hij oog in oog met deze kundig ingekaderde oorkonde. Net als hij aan boord stapte van de droomboot - enkele richting: Weemoedland - werd het vaartuig brutaal gekelderd door het plotse geluid van geklop aan de deur.

Nog voor Tony zich goed en wel had omgedraaid, laat staan dat hij ‘binnen’ of ‘ja’ had gezegd, stond Antonio al in zijn bureau. De abrupte reis terug naar de realiteit zorgde voor de nodige irritatie, maar de bezorgde uitdrukking op het gelaat van zijn assistent, deed hem zijn giftige opmerking inslikken. Hij ging ervan uit dat het overmatig wijzen op zijn onbeholpenheid een rem zou zetten op zijn enthousiasme. En dat laatste was hem veel meer waard dan betrapt te worden op, pakweg, het vissen naar neuskeutels.

‘Tony, sorry dat ik zo binnenval, maar we hebben een klant!’

Dit kwam aan als een tweede mentale schok. Terugkomen naar een realiteit van stijlvol lanterfanten naar de saaie orde van de dag was één ding, maar de aanwezigheid van een klant voegde daar nog een dosis urgentie aan toe. De impact van dit nieuws zou marginaal zijn, ware het niet dat Tony’s praktijk amper nog volk over de vloer kreeg. Toen de crisis pas om zich heen begon te slagen, kwamen de mensen nog vlot zijn kant uit. Het leek allemaal zo erg niet en ze hadden nog budget om te spenderen aan zijn voorspellende gaven. Gaandeweg verdween met de hoop ook zijn geloofwaardigheid. Hoeveel overtuiging hij ook in zijn rituelen legde, het had geen enkel effect meer. In de geesten van de mensen was de toekomst tegelijk zonneklaar en aardedonker.

‘Een klant, zowaar. Met wie hebben we de eer?’

‘Een zekere mijnheer João Miguel Ndoni. Geen idee wie het is, waar hij ziet er nogal belangrijk uit. Hij wil een voorspelling over de inflatie, zegt hij.’

‘Die Antonio slaagt er toch altijd in om compleet wereldvreemd te zijn’, bedacht Tony. Als hij het goed voorhad, zat in zijn gerieflijke, maar afgeleefde wachtkamer de man die op ongeveer elke affiche in de stad prijkte. João Miguel ‘De Leeuw’ Ndoni, burgemeester van Soyo en protégé van president Dos Santos. Gehard als bevelhebber in de burgeroorlog, slim genoeg om een handje te hebben in de petrochemie en bovendien notoir slecht gehumeurd. Van hem werd gezegd dat het gezelliger was om in discussie te treden met een donderwolk.

‘Zeg dan dat je hem tenminste iets te drinken hebt aangeboden?’

‘Hij vroeg om een koffie, maar zoals je weet is ons toestel al twee weken defect. Ik heb hem dan maar een glas water aangeboden’, stamelde Antonio

‘Dat begint al goed…’, bracht Tony uit als een gesproken zucht. Hij had veel zin om zich af te reageren op zijn assistent. Na bijna vijf jaar dienst wist hij nog altijd niet of hij over hem tevreden kon zijn of niet. Hij maakte geen al te grote fouten, hij was beleefd genoeg, begon meestal stipt op tijd. Eigenlijk niets om met recht en reden kwaad over te worden. Maar zijn nonchalante, schijnbaar achteloze manier van handelen bracht hem vaak op de rand van razernij. Mocht het plots konijnen beginnen regenen, hij zou reageren met een onderkoelde ‘oh, kijk, het regent konijnen’. Tony besloot om het zo te laten en zijn daadkracht te tonen, in de ijdele hoop dat zijn professionalisme alsnog aanstekelijk zou werken.

‘Vooruit, je weet wat gedaan. Leg mijn beste gewaad klaar in de kleedkamer en check voor de zekerheid of er niets in de offerruimte is blijven liggen. En breng alvast de kip.’

Tony klauterde uit zijn draaistoel en fatsoeneerde zich. Gelukkig had hij vandaag geen al te sjofel hemd aan. ‘De eerste indruk vormt het fundament van de relatie met de klant‘, werd hem meer dan eens duidelijk gemaakt tijdens zijn opleiding. Terwijl hij aanstalten maakte om naar de wachtkamer te gaan, zag hij dat Antonio zelfs voor zijn doen amper de indruk gaf van in actie te zullen schieten.

‘Tony, sorry, maar… Wat de kip betreft, zitten we met een probleem.’

‘Welk probleem?’, zei Tony, gemakshalve ervanuit gaand dat het gewoon niet het meest welriekend stuk pluimvee was.

‘Er is geen kip vandaag. Gisteren hebben we de laatste gebruikt.’

‘Hoezo geen kip? We hebben toch altijd eentje op reserve? Wat is dat nu?’

‘Ik weet het Tony, maar de laatste tijd kwam er zo weinig volk dat ik dacht te kunnen besparen door geen reservekip aan te houden. Met dat geld betalen trouwens we de koffiepadjes. En tot nu toe is het altijd vlot gelukt om op tijd een nieuwe te vinden, maar deze morgen was er een incident op de markt en…’

‘Antonio, jongen, jouw verhaal interesseert mij niks. Ik moet nu een kip hebben! Wat moet ik nu gaan zeggen tegen die kerel!?’

Tony probeerde met heel zijn wezen om de kalmte te bewaren, maar er waren te veel elementen die zijn beheersing ondermijnden. Het mogelijke gezichtsverlies, de gevolgen voor zijn praktijk of zelfs voor zijn eigen vege lijf. Die dolgedraaide militair was totaal onvoorspelbaar, zelfs voor iemand in Tony’s branche.

‘Er zijn nog eieren in de koelkast. In essentie is dat ook kip, nietwaar?’

‘Ik… Hoe kan ik in hemelsnaam de nodige suspense opbouwen met een debiel ei in mijn hand, Antonio? Dat ding beweegt niet, dat vreest niet voor zijn leven. Dat wekt welgeteld nul ontzag op bij de klant. De essentie van de kip is juist het spektakel!’

Het ritueel slachten van de kip was voor Tony in veel opzichten de beste manier om luister te geven aan zijn voorspellingen. Het beest is nu eenmaal chaos op twee poten. Het kon van een bescheiden ‘bok’ naar uitzinnig gekakel gaan in een oogwenk. Het kon vervaarlijk beginnen fladderen, met een wolk van pluimen tot gevolg; toch hield je het met één hand in bedwang. Na acht jaar in het vak, kende dit dier geen geheimen meer voor Tony. Als de klant met kleine kindjes langskwam, dan zorgde hij met een subtiele wijziging van de plaatsing van het mes dat het dier nog even zonder kop zou rondlopen. De gillende koters, en de glimlach van herkenning bij de klant – we’ve all been there - bezorgden hem steeds de nodige vreugde. Arrogante tieners kreeg hij steevast stil door er een extra bloedige vertoning van te maken, met als toemaatje het hart dat hij met één flukse beweging het luchtruim in schoot. Dan bevonden ze zich al snel terug onder moeders rokken.

‘Ik weet dat het tegen uw principes is’, kwam Antonio tussen, ‘maar we hebben nog Pepe, ons dwergkonijn.’

‘Nee. Nee nee nee. Nee, dat is uitgesloten. Ik doe geen zoogdieren en daarmee uit.’

Als we abstractie zouden maken van de kip, dan kon je gerust Tony een dierenvriend noemen. Hij beschouwde het al een mooie oefening in humaniteit om voor schijnbaar minderwaardige schepsels respect op te brengen. Soms stond hij op het punt om een vervelende vlieg de genadeslag toe te dienen, maar dan bedacht hij: ‘laat ik beter zijn dan dit. Laat ik de continue cyclus van moord en verderf van dit aardse bestel overstijgen en deze vliegende vlaaienvriend de vrijheid schenken.’ Die beheersing had hij natuurlijk lang niet altijd, maar was het wel het geval, dan kon hij achteraf genieten van een gevoel van vervulling, van het idee deel uit te maken van iets groters, van een gedeeld bewustzijn dat van mensen mensen maakt. Kippen, daarentegen, konden hem gestolen worden. Deze gedegenereerde achterkleinkinderen van de dinosauriër, deze intellectuele laagvliegers bestonden enkel bij de goede gratie van de mens. Geen mens? Geen kip. Los daarvan deed hij niet geringschattend over het nut van de kip, integendeel. Maar hij zag zich nog eerder in staat een emotionele band te ontwikkelen met een stuk fruit, dan met het genoemde gevogelte.

Daarenboven had hij sympathie voor het kleine konijn. Het dingetje werd bij het minste geluid doodsbenauwd, maar toonde daardoor tenminste inzicht in de gevaren die overal rondom hem lagen te loeren. Hoe het dan toch met zijn pluizig lijfje de moed vond om door de tuin te huppelen, op zoek naar wat vers loof om aan te knabbelen… Tony vond het vele malen heldhaftiger dan de je-m’en-foutistische kip die je bijna moest tegenhouden of ze zouden borst vooruit in de bek van een vos vliegen.

 ‘We moeten iets bedenken, Antonio, want ik kan die man niet langer laten wachten. Of erger nog, naar huis sturen.’

‘Ik heb anders toevallig onlangs iets over inflatie gelezen’, probeerde Antonio. ‘In de eerste plaats zou de regering werk moeten de aanbevelingen op organisatorisch vlak zoals bepaald door het IMF. Als ze daar werk van maken, dan kunnen we op middellange termijn genieten van voordelige leningen bij dit fonds, in plaats van zoals nu ons hele hebben en houden te verpatsen aan de Chinezen, in ruil voor kortlopende leningen aan woekerinteresten. Dan kunnen we geleidelijk aan controle nemen over ons natuurlijk patrimonium, werk maken van een kwalitatief onderwijs en zodoende ons land in de richting duwen van een bestendige toekomstig. Natuurlijk moet de corruptie tegelijkertijd kordaat aangepakt worden.’

Tony keek zijn assistent bevaderend aan.‘Antonio, mijn waarde, die man is gekomen om bloed te zien. Geef hem die uitleg en de kip wordt overbodig. We moeten gewoon…’

De deur van de wachtkamer werd open geknald met een dusdanig misprijzen voor de deur en zijn hengsels, dat het elk ander geluid spoorslags wegvluchtte. Een duidelijk geagiteerde man zette een stap door de deuropening en draaide zijn hoofd, langzaam maar gedecideerd, in de richting van het duo. Zijn bloeddoorlopen ogen fixeerden zich op Tony, die als door een basilisk versteend bleef staan.
‘Ik ben het hier gehad met al dat wachten! Wanneer begint die godverdomse sessie!?’

Het verstandelijk vermogen, zorgvuldig opgebouwd doorheen de jaren, gevoed met kennis, ervaring, deductie, fouten maken,… Die persoonlijke architectuur die referentie biedt in onzekere tijden, die het mogelijk maakt om gestructureerd te werk te gaan. Dat godspartikeltje dat ons onderscheid van de koe, het konijn, de kip. Heel deze interne wereld van logische gevolgtrekkingen en rationaliteit implodeerde in Tony en werd teruggebracht tot de grondvoorwaarde van het bestaan: overleven.

Tony hield zijn ogen strak gericht op de woesteling, zodat hij vanuit een mondhoek aan zijn assistent de instructie gaf.

‘Breng Pepe.’

woensdag 25 mei 2016

Maar om tot de kern te komen...




De eetruimte van het CERN was best wel gezellig ingericht. Misschien leek het gewoon zo. In contrast met de eerder klinisch witte bureau-omgeving zag eender welke refter er vrolijk uit. Het deed er op dat moment heel weinig toe, maar Professor Coudenys’ hoofd leek wel een grote wolk van chaos, waarbij gedachten schijnbaar willekeurig gevormd werden uit botsingen van allerlei gewaarwordingen. Hij zag figuren in de combinatie van witte en zwarte vloertegels, kubistische gezichten, gebouwen, onmogelijk te bespelen piano’s. De buzz in zijn hersenpan beperkte zijn normaal functioneren. Het voelde alsof hij nog nooit naar een buffet had gewandeld en dat elke beweging nauwlettend in de gaten gehouden werd door zijn collega’s, zijn passen analyserend, meteen overtuigd dat zij na controle in een gelijkaardige testomgeving ontegensprekelijk tot de conclusie zouden komen dat hij  ‘niet normaal bezig was’. Deze paranoïde gedachten waren natuurlijk niet bevorderlijk voor zijn toestand, waardoor hij aan het verkeerde uiteinde van het buffet uitkwam. Hij die daar al vijf jaar zijn lunch kwam nuttigen. De kluns die de helft vormde van de tandem toponderzoekers naar het kleinste deeltje ooit waargenomen. Veel kleiner dan die relatieve reus van een higgsboson.  

En nu was het zover. Ze hebben het bestaan van het deeltje vastgesteld. Verschillende keren, onder verschillende omstandigheden, met een statistische waarschijnlijkheid van meer dan negenennegentig procent. Een nieuwe mijlsteen in de wetenschap, een sprong voorwaarts voor de mensheid in zijn queeste naar complete kennis. Hij zag het al voor  hem: de publicaties, nieuwsitems, fotoshoots voor weekblad Science. Het kroonjuweel op een lange en geslaagde carrière. En toch. Hij zat met iets verveeld. Zo verveeld dat hij om  onduidelijke redenen een broodje met vissla bestelde. Hij at nooit vissla. Hij behoort tot het soort van mensen dat de vis graag in duidelijk onderscheiden vorm op zijn bord ziet, dus zeker niet verhakkeld en vermengd met ajuintjes en een halve pot mayonaise. Maar in zijn verwarring besloot hij plots om het nog eens een kans te geven. Hij nam uiteindelijk nog een cola, hopend dat de zoetigheid zijn lange tanden wat zou inkorten. ‘In realiteit zou de suiker dat ook doen’, merkte professor Coudenys op, maar hij wou verder niet ingaan op een de toevallige gelijkenis tussen een metafoor en de realiteit. Hij besloot zich te focussen op het afrekenen en dan een plekje te zoeken. Hij wendde zijn superieure analytische geest aan om planmatig te bepalen hoe hij van zijn huidige omstandigheid naar een plaats aan een tafel zou geraken. 

"Sinds wanneer eet jij vissla?"

Exit plannen. Achter hem schoof namelijk de man aan met wie hij nog geen tien minuten geleden het bureau had gedeeld. Zijn collega en co-leider van het onderzoeksteam naar het tot voor kort ongekende kleinste deeltje. De bron van zijn euvel. Professor Coudenys was blijkbaar zo ver van de wereld dat hij, als hij er een foto van zou nemen, enkel een bleek, blauw puntje zou zien in een zee van zwart. Als een minuscuul deeltje… Neen, neen, hij moest deze huiskamerfilosofie onmiddellijk staken en zijn collega van antwoord dienen of de situatie werd te ongemakkelijk. Zelfs voor de ruim bemeten omgangsnormen van wetenschappers. 

“Euh. Ik dacht, ik probeer eens iets anders, … Laten we daar apart gaan zitten.”  

In zijn verwarring had hij de ideale condities gecreëerd om tot een gesprek te komen in een informele sfeer. Nu moest hij hem ermee confronteren, ongeacht de gevolgen voor hun verdere samenwerking, ongeacht de schijnbare onbenulligheid van zijn probleem. Hij rekende af en probeerde zo nonchalant mogelijk op het tafeltje af te stappen. Dat lukte enigszins. Het vooruitzicht van een opgelucht hart had de stortvloed van gedachten gekanaliseerd tot een kolkende, maar beheersbare stroom. 

“En, Jan, wat wordt de volgorde, denk je”, zei de collega terwijl zich neerzette en wat achtergebleven kruimels van de tafel veegde. “Klein-Coudenys. Coudenys-Klein. Ik ben er zelf nog niet uit wat het beste klinkt.” 

Professor Coudenys monsterde het onappetijtelijke broodje en besloot om dan maar direct door de zure appel te bijten. “De volgorde is niet zozeer van belang. Ik meen dat hier het principe van commutativiteit van toepassing is. Maar jouw naam gaat sowieso beter blijven plakken bij het grote volk. Klein als ontdekker van het kleinste deeltje, dat is te mooi om waar te zijn. Je kan het een vorm van nominatief determinisme noemen. Alsof Herman Brood bakker zou worden. Of …” Hij vond even geen tweede voorbeeld.  

 “Alsof Bart de Wever een spin zou zijn?” 

“Nee, dat nu ook weer niet,” dacht professor Coudenys, maar hij zei “Ongeveer.” 

“Maar die definitie gaat voor mij toch niet op? Ik ben net als jij specialist in de kwantumfysica, een vakgebied waarin men bezwaarlijk op zoek is naar kleinigheden. Het heeft net iets dat groter is dan wat we kunnen bevatten. Ik zou dan eigenlijk Harry Kwantum moeten heten om de waarheid een beetje eer aan te doen. Of idealiter zou ik meerdere namen moeten hebben die telkens afzonderlijk én samen correct kunnen zijn. Al lijkt me dat in de realiteit die de burgerlijke administratie is, onmogelijk.” 

Professor Coudenys zou normaliter geamuseerd luisteren naar de pientere redeneringen van zijn trouwe onderzoeksmakker, maar er was iets geknakt in hem. Het besef was rijkelijk laat gekomen, zo laat dat hij zichzelf vervloekte dat hij er nooit eerder aan had gedacht. Zijn naam zou enkel binnen de academische gemeenschap bekend worden, daarbuiten zou Klein met alle aandacht gaan lopen.  

“Akkoord”, zei hij, “het is misschien wat kort door de bocht. Maar het komt wel mooi uit in dit geval. Neem daar nog bij dat mijn naam zo goed als altijd verkeerd uitgesproken wordt. Ze struikelen er in elke taal over, zelfs de onze. Op de duur gaan ze die gemakkelijkheidshalve weglaten in de berichtgevingen. Je weet toch hoe de media te werk gaat. Het moet  allemaal verstaanbaar blijven voor de man in de straat.”  

“Maar, Jan, het is toch ook geen Eyjafjallajökull, ofzo? Ok, ze zullen er de nodige moeite mee hebben, maar ik ben ervan overtuigd dat een beetje zichzelf respecterend medium een verdienstelijke poging zal doen om jouw naam correct uit te spreken. En voor pakweg een Chinees maakt het al helemaal niets uit, niet? Je denkt misschien wat te veel in je eigen levenssfeer. De wetenschap is verworden tot een mondiaal gegeven en jouw immense bijdrage aan onze vondst zal door de juiste mensen altijd onderkend worden.” 

Professor Coudenys had geen enkel tegenargument, behalve ‘ja maar, toch…’. Hij besefte maar al te goed hoe kleingeestig het was van hem om zich op te winden over zoiets banaal als een achternaam. Tegelijk wist hij dat professor Klein wist wat hij niet over de lippen kreeg. De spreekwoordelijke olifant in de kamer. Doodgemoedereerd fixeerde hij zijn blik op het broodje waarvan hij wist dat niet zou verminderen in omvang, tenzij geleidelijk aan onder invloed van rottingsprocessen onderin de vuilniszak. Zijn probleem was hetzelfde lot beschoren. Hij kon geen kant uit. Nu niet. Nooit niet.

Coudenys zou anders een goede naam zijn voor de ontdekker van het absolute nulpunt, vind je niet?”, grinnikte Klein in een poging om het ijs te breken.

“Ha, dat is waar”, antwoordde hij op automatisme, en het gevoel bekroop hem om ter plekke op te gaan in een rookwolk. “Harry, ik denk dat ik uiteindelijk toch niet veel honger heb. Ik ga al terug naar het bureau, denk ik.” 

“Wacht, ik kom mee. Deze koude schotel is ook niet bepaald een Nobelprijs waard. Help je me mijn plateau wegzetten?” 

“Natuurlijk”, bracht professor Coudenys er zo joviaal mogelijk uit. Hij nam het ding aan en plaatste het bovenop de stapel. En terwijl Klein hem voorop ging naar het bureau, met zijn korte, waggelende passen, overviel hem het idee dat het bijna onmogelijk moet zijn voor een dwerg als Klein om aan hink-stap-springen te doen.