dinsdag 23 augustus 2016

It's no sacrifice



Drie ongelezen mails, waarvan twee spam en één puur informatief. Met het uitzicht op een doodsaaie werkdag, overwoog Tony om deze berichten meer aandacht te schenken dan absoluut nodig was.

‘Dear Mr. Sexmaster / dirty Marrisa crave for your love vehicle FAST’

… Delete.

‘Canadian Pharmacy viagra cialis for make benefit Glorious erection of alpha man’

Delete!

Aan dit tempo zou hij de dag geen minuut inkorten. Het informatief ding beloofde meer weerstand te bieden tegen instant verwijdering. Het was iets van de bank over manieren om de huidige economische crisis de baas te blijven, met de obligatoire stock foto van twee professioneel ogende jonge mensen, schijnbaar casual met een pen wijzend naar een blad en glimlachend alsof hun leven ervan afhing. Voor nul Kwanza per maand (asterisk) zou de bank u met persoonlijk advies bijstaan op elk moment van de dag (asterisk) opdat u freewheelend door de crisis heen zou fietsen. Tony moest spontaan denken aan de mirakeldokter een paar huizen verder, meer bepaald aan de bloedzuigers die hij niet aflatend (of juist wel?) aanwendt bij zijn genezingen. Vanuit zijn achtergrond had hij geen boodschap aan kwakzalverij. Hij had er niet voor niets vier jaar hogere studies opzitten aan het hoger college van M’banza Kongo om de titel van Maraboet/Ziener te verdienen. Een gevoel van trots borrelde in hem op, terugdenkend aan de opofferingen die hij had ondergaan en het glorieuze moment waarop hij het getuigschrift in ontvangst mocht nemen. Met een speelse tik van zijn voet wentelde hij zijn draaistoel honderdtachtig graden. Hij leunde achterover en kwam hij oog in oog met deze kundig ingekaderde oorkonde. Net als hij aan boord stapte van de droomboot - enkele richting: Weemoedland - werd het vaartuig brutaal gekelderd door het plotse geluid van geklop aan de deur.

Nog voor Tony zich goed en wel had omgedraaid, laat staan dat hij ‘binnen’ of ‘ja’ had gezegd, stond Antonio al in zijn bureau. De abrupte reis terug naar de realiteit zorgde voor de nodige irritatie, maar de bezorgde uitdrukking op het gelaat van zijn assistent, deed hem zijn giftige opmerking inslikken. Hij ging ervan uit dat het overmatig wijzen op zijn onbeholpenheid een rem zou zetten op zijn enthousiasme. En dat laatste was hem veel meer waard dan betrapt te worden op, pakweg, het vissen naar neuskeutels.

‘Tony, sorry dat ik zo binnenval, maar we hebben een klant!’

Dit kwam aan als een tweede mentale schok. Terugkomen naar een realiteit van stijlvol lanterfanten naar de saaie orde van de dag was één ding, maar de aanwezigheid van een klant voegde daar nog een dosis urgentie aan toe. De impact van dit nieuws zou marginaal zijn, ware het niet dat Tony’s praktijk amper nog volk over de vloer kreeg. Toen de crisis pas om zich heen begon te slagen, kwamen de mensen nog vlot zijn kant uit. Het leek allemaal zo erg niet en ze hadden nog budget om te spenderen aan zijn voorspellende gaven. Gaandeweg verdween met de hoop ook zijn geloofwaardigheid. Hoeveel overtuiging hij ook in zijn rituelen legde, het had geen enkel effect meer. In de geesten van de mensen was de toekomst tegelijk zonneklaar en aardedonker.

‘Een klant, zowaar. Met wie hebben we de eer?’

‘Een zekere mijnheer João Miguel Ndoni. Geen idee wie het is, waar hij ziet er nogal belangrijk uit. Hij wil een voorspelling over de inflatie, zegt hij.’

‘Die Antonio slaagt er toch altijd in om compleet wereldvreemd te zijn’, bedacht Tony. Als hij het goed voorhad, zat in zijn gerieflijke, maar afgeleefde wachtkamer de man die op ongeveer elke affiche in de stad prijkte. João Miguel ‘De Leeuw’ Ndoni, burgemeester van Soyo en protégé van president Dos Santos. Gehard als bevelhebber in de burgeroorlog, slim genoeg om een handje te hebben in de petrochemie en bovendien notoir slecht gehumeurd. Van hem werd gezegd dat het gezelliger was om in discussie te treden met een donderwolk.

‘Zeg dan dat je hem tenminste iets te drinken hebt aangeboden?’

‘Hij vroeg om een koffie, maar zoals je weet is ons toestel al twee weken defect. Ik heb hem dan maar een glas water aangeboden’, stamelde Antonio

‘Dat begint al goed…’, bracht Tony uit als een gesproken zucht. Hij had veel zin om zich af te reageren op zijn assistent. Na bijna vijf jaar dienst wist hij nog altijd niet of hij over hem tevreden kon zijn of niet. Hij maakte geen al te grote fouten, hij was beleefd genoeg, begon meestal stipt op tijd. Eigenlijk niets om met recht en reden kwaad over te worden. Maar zijn nonchalante, schijnbaar achteloze manier van handelen bracht hem vaak op de rand van razernij. Mocht het plots konijnen beginnen regenen, hij zou reageren met een onderkoelde ‘oh, kijk, het regent konijnen’. Tony besloot om het zo te laten en zijn daadkracht te tonen, in de ijdele hoop dat zijn professionalisme alsnog aanstekelijk zou werken.

‘Vooruit, je weet wat gedaan. Leg mijn beste gewaad klaar in de kleedkamer en check voor de zekerheid of er niets in de offerruimte is blijven liggen. En breng alvast de kip.’

Tony klauterde uit zijn draaistoel en fatsoeneerde zich. Gelukkig had hij vandaag geen al te sjofel hemd aan. ‘De eerste indruk vormt het fundament van de relatie met de klant‘, werd hem meer dan eens duidelijk gemaakt tijdens zijn opleiding. Terwijl hij aanstalten maakte om naar de wachtkamer te gaan, zag hij dat Antonio zelfs voor zijn doen amper de indruk gaf van in actie te zullen schieten.

‘Tony, sorry, maar… Wat de kip betreft, zitten we met een probleem.’

‘Welk probleem?’, zei Tony, gemakshalve ervanuit gaand dat het gewoon niet het meest welriekend stuk pluimvee was.

‘Er is geen kip vandaag. Gisteren hebben we de laatste gebruikt.’

‘Hoezo geen kip? We hebben toch altijd eentje op reserve? Wat is dat nu?’

‘Ik weet het Tony, maar de laatste tijd kwam er zo weinig volk dat ik dacht te kunnen besparen door geen reservekip aan te houden. Met dat geld betalen trouwens we de koffiepadjes. En tot nu toe is het altijd vlot gelukt om op tijd een nieuwe te vinden, maar deze morgen was er een incident op de markt en…’

‘Antonio, jongen, jouw verhaal interesseert mij niks. Ik moet nu een kip hebben! Wat moet ik nu gaan zeggen tegen die kerel!?’

Tony probeerde met heel zijn wezen om de kalmte te bewaren, maar er waren te veel elementen die zijn beheersing ondermijnden. Het mogelijke gezichtsverlies, de gevolgen voor zijn praktijk of zelfs voor zijn eigen vege lijf. Die dolgedraaide militair was totaal onvoorspelbaar, zelfs voor iemand in Tony’s branche.

‘Er zijn nog eieren in de koelkast. In essentie is dat ook kip, nietwaar?’

‘Ik… Hoe kan ik in hemelsnaam de nodige suspense opbouwen met een debiel ei in mijn hand, Antonio? Dat ding beweegt niet, dat vreest niet voor zijn leven. Dat wekt welgeteld nul ontzag op bij de klant. De essentie van de kip is juist het spektakel!’

Het ritueel slachten van de kip was voor Tony in veel opzichten de beste manier om luister te geven aan zijn voorspellingen. Het beest is nu eenmaal chaos op twee poten. Het kon van een bescheiden ‘bok’ naar uitzinnig gekakel gaan in een oogwenk. Het kon vervaarlijk beginnen fladderen, met een wolk van pluimen tot gevolg; toch hield je het met één hand in bedwang. Na acht jaar in het vak, kende dit dier geen geheimen meer voor Tony. Als de klant met kleine kindjes langskwam, dan zorgde hij met een subtiele wijziging van de plaatsing van het mes dat het dier nog even zonder kop zou rondlopen. De gillende koters, en de glimlach van herkenning bij de klant – we’ve all been there - bezorgden hem steeds de nodige vreugde. Arrogante tieners kreeg hij steevast stil door er een extra bloedige vertoning van te maken, met als toemaatje het hart dat hij met één flukse beweging het luchtruim in schoot. Dan bevonden ze zich al snel terug onder moeders rokken.

‘Ik weet dat het tegen uw principes is’, kwam Antonio tussen, ‘maar we hebben nog Pepe, ons dwergkonijn.’

‘Nee. Nee nee nee. Nee, dat is uitgesloten. Ik doe geen zoogdieren en daarmee uit.’

Als we abstractie zouden maken van de kip, dan kon je gerust Tony een dierenvriend noemen. Hij beschouwde het al een mooie oefening in humaniteit om voor schijnbaar minderwaardige schepsels respect op te brengen. Soms stond hij op het punt om een vervelende vlieg de genadeslag toe te dienen, maar dan bedacht hij: ‘laat ik beter zijn dan dit. Laat ik de continue cyclus van moord en verderf van dit aardse bestel overstijgen en deze vliegende vlaaienvriend de vrijheid schenken.’ Die beheersing had hij natuurlijk lang niet altijd, maar was het wel het geval, dan kon hij achteraf genieten van een gevoel van vervulling, van het idee deel uit te maken van iets groters, van een gedeeld bewustzijn dat van mensen mensen maakt. Kippen, daarentegen, konden hem gestolen worden. Deze gedegenereerde achterkleinkinderen van de dinosauriër, deze intellectuele laagvliegers bestonden enkel bij de goede gratie van de mens. Geen mens? Geen kip. Los daarvan deed hij niet geringschattend over het nut van de kip, integendeel. Maar hij zag zich nog eerder in staat een emotionele band te ontwikkelen met een stuk fruit, dan met het genoemde gevogelte.

Daarenboven had hij sympathie voor het kleine konijn. Het dingetje werd bij het minste geluid doodsbenauwd, maar toonde daardoor tenminste inzicht in de gevaren die overal rondom hem lagen te loeren. Hoe het dan toch met zijn pluizig lijfje de moed vond om door de tuin te huppelen, op zoek naar wat vers loof om aan te knabbelen… Tony vond het vele malen heldhaftiger dan de je-m’en-foutistische kip die je bijna moest tegenhouden of ze zouden borst vooruit in de bek van een vos vliegen.

 ‘We moeten iets bedenken, Antonio, want ik kan die man niet langer laten wachten. Of erger nog, naar huis sturen.’

‘Ik heb anders toevallig onlangs iets over inflatie gelezen’, probeerde Antonio. ‘In de eerste plaats zou de regering werk moeten de aanbevelingen op organisatorisch vlak zoals bepaald door het IMF. Als ze daar werk van maken, dan kunnen we op middellange termijn genieten van voordelige leningen bij dit fonds, in plaats van zoals nu ons hele hebben en houden te verpatsen aan de Chinezen, in ruil voor kortlopende leningen aan woekerinteresten. Dan kunnen we geleidelijk aan controle nemen over ons natuurlijk patrimonium, werk maken van een kwalitatief onderwijs en zodoende ons land in de richting duwen van een bestendige toekomstig. Natuurlijk moet de corruptie tegelijkertijd kordaat aangepakt worden.’

Tony keek zijn assistent bevaderend aan.‘Antonio, mijn waarde, die man is gekomen om bloed te zien. Geef hem die uitleg en de kip wordt overbodig. We moeten gewoon…’

De deur van de wachtkamer werd open geknald met een dusdanig misprijzen voor de deur en zijn hengsels, dat het elk ander geluid spoorslags wegvluchtte. Een duidelijk geagiteerde man zette een stap door de deuropening en draaide zijn hoofd, langzaam maar gedecideerd, in de richting van het duo. Zijn bloeddoorlopen ogen fixeerden zich op Tony, die als door een basilisk versteend bleef staan.
‘Ik ben het hier gehad met al dat wachten! Wanneer begint die godverdomse sessie!?’

Het verstandelijk vermogen, zorgvuldig opgebouwd doorheen de jaren, gevoed met kennis, ervaring, deductie, fouten maken,… Die persoonlijke architectuur die referentie biedt in onzekere tijden, die het mogelijk maakt om gestructureerd te werk te gaan. Dat godspartikeltje dat ons onderscheid van de koe, het konijn, de kip. Heel deze interne wereld van logische gevolgtrekkingen en rationaliteit implodeerde in Tony en werd teruggebracht tot de grondvoorwaarde van het bestaan: overleven.

Tony hield zijn ogen strak gericht op de woesteling, zodat hij vanuit een mondhoek aan zijn assistent de instructie gaf.

‘Breng Pepe.’

woensdag 25 mei 2016

Maar om tot de kern te komen...




De eetruimte van het CERN was best wel gezellig ingericht. Misschien leek het gewoon zo. In contrast met de eerder klinisch witte bureau-omgeving zag eender welke refter er vrolijk uit. Het deed er op dat moment heel weinig toe, maar Professor Coudenys’ hoofd leek wel een grote wolk van chaos, waarbij gedachten schijnbaar willekeurig gevormd werden uit botsingen van allerlei gewaarwordingen. Hij zag figuren in de combinatie van witte en zwarte vloertegels, kubistische gezichten, gebouwen, onmogelijk te bespelen piano’s. De buzz in zijn hersenpan beperkte zijn normaal functioneren. Het voelde alsof hij nog nooit naar een buffet had gewandeld en dat elke beweging nauwlettend in de gaten gehouden werd door zijn collega’s, zijn passen analyserend, meteen overtuigd dat zij na controle in een gelijkaardige testomgeving ontegensprekelijk tot de conclusie zouden komen dat hij  ‘niet normaal bezig was’. Deze paranoïde gedachten waren natuurlijk niet bevorderlijk voor zijn toestand, waardoor hij aan het verkeerde uiteinde van het buffet uitkwam. Hij die daar al vijf jaar zijn lunch kwam nuttigen. De kluns die de helft vormde van de tandem toponderzoekers naar het kleinste deeltje ooit waargenomen. Veel kleiner dan die relatieve reus van een higgsboson.  

En nu was het zover. Ze hebben het bestaan van het deeltje vastgesteld. Verschillende keren, onder verschillende omstandigheden, met een statistische waarschijnlijkheid van meer dan negenennegentig procent. Een nieuwe mijlsteen in de wetenschap, een sprong voorwaarts voor de mensheid in zijn queeste naar complete kennis. Hij zag het al voor  hem: de publicaties, nieuwsitems, fotoshoots voor weekblad Science. Het kroonjuweel op een lange en geslaagde carrière. En toch. Hij zat met iets verveeld. Zo verveeld dat hij om  onduidelijke redenen een broodje met vissla bestelde. Hij at nooit vissla. Hij behoort tot het soort van mensen dat de vis graag in duidelijk onderscheiden vorm op zijn bord ziet, dus zeker niet verhakkeld en vermengd met ajuintjes en een halve pot mayonaise. Maar in zijn verwarring besloot hij plots om het nog eens een kans te geven. Hij nam uiteindelijk nog een cola, hopend dat de zoetigheid zijn lange tanden wat zou inkorten. ‘In realiteit zou de suiker dat ook doen’, merkte professor Coudenys op, maar hij wou verder niet ingaan op een de toevallige gelijkenis tussen een metafoor en de realiteit. Hij besloot zich te focussen op het afrekenen en dan een plekje te zoeken. Hij wendde zijn superieure analytische geest aan om planmatig te bepalen hoe hij van zijn huidige omstandigheid naar een plaats aan een tafel zou geraken. 

"Sinds wanneer eet jij vissla?"

Exit plannen. Achter hem schoof namelijk de man aan met wie hij nog geen tien minuten geleden het bureau had gedeeld. Zijn collega en co-leider van het onderzoeksteam naar het tot voor kort ongekende kleinste deeltje. De bron van zijn euvel. Professor Coudenys was blijkbaar zo ver van de wereld dat hij, als hij er een foto van zou nemen, enkel een bleek, blauw puntje zou zien in een zee van zwart. Als een minuscuul deeltje… Neen, neen, hij moest deze huiskamerfilosofie onmiddellijk staken en zijn collega van antwoord dienen of de situatie werd te ongemakkelijk. Zelfs voor de ruim bemeten omgangsnormen van wetenschappers. 

“Euh. Ik dacht, ik probeer eens iets anders, … Laten we daar apart gaan zitten.”  

In zijn verwarring had hij de ideale condities gecreëerd om tot een gesprek te komen in een informele sfeer. Nu moest hij hem ermee confronteren, ongeacht de gevolgen voor hun verdere samenwerking, ongeacht de schijnbare onbenulligheid van zijn probleem. Hij rekende af en probeerde zo nonchalant mogelijk op het tafeltje af te stappen. Dat lukte enigszins. Het vooruitzicht van een opgelucht hart had de stortvloed van gedachten gekanaliseerd tot een kolkende, maar beheersbare stroom. 

“En, Jan, wat wordt de volgorde, denk je”, zei de collega terwijl zich neerzette en wat achtergebleven kruimels van de tafel veegde. “Klein-Coudenys. Coudenys-Klein. Ik ben er zelf nog niet uit wat het beste klinkt.” 

Professor Coudenys monsterde het onappetijtelijke broodje en besloot om dan maar direct door de zure appel te bijten. “De volgorde is niet zozeer van belang. Ik meen dat hier het principe van commutativiteit van toepassing is. Maar jouw naam gaat sowieso beter blijven plakken bij het grote volk. Klein als ontdekker van het kleinste deeltje, dat is te mooi om waar te zijn. Je kan het een vorm van nominatief determinisme noemen. Alsof Herman Brood bakker zou worden. Of …” Hij vond even geen tweede voorbeeld.  

 “Alsof Bart de Wever een spin zou zijn?” 

“Nee, dat nu ook weer niet,” dacht professor Coudenys, maar hij zei “Ongeveer.” 

“Maar die definitie gaat voor mij toch niet op? Ik ben net als jij specialist in de kwantumfysica, een vakgebied waarin men bezwaarlijk op zoek is naar kleinigheden. Het heeft net iets dat groter is dan wat we kunnen bevatten. Ik zou dan eigenlijk Harry Kwantum moeten heten om de waarheid een beetje eer aan te doen. Of idealiter zou ik meerdere namen moeten hebben die telkens afzonderlijk én samen correct kunnen zijn. Al lijkt me dat in de realiteit die de burgerlijke administratie is, onmogelijk.” 

Professor Coudenys zou normaliter geamuseerd luisteren naar de pientere redeneringen van zijn trouwe onderzoeksmakker, maar er was iets geknakt in hem. Het besef was rijkelijk laat gekomen, zo laat dat hij zichzelf vervloekte dat hij er nooit eerder aan had gedacht. Zijn naam zou enkel binnen de academische gemeenschap bekend worden, daarbuiten zou Klein met alle aandacht gaan lopen.  

“Akkoord”, zei hij, “het is misschien wat kort door de bocht. Maar het komt wel mooi uit in dit geval. Neem daar nog bij dat mijn naam zo goed als altijd verkeerd uitgesproken wordt. Ze struikelen er in elke taal over, zelfs de onze. Op de duur gaan ze die gemakkelijkheidshalve weglaten in de berichtgevingen. Je weet toch hoe de media te werk gaat. Het moet  allemaal verstaanbaar blijven voor de man in de straat.”  

“Maar, Jan, het is toch ook geen Eyjafjallajökull, ofzo? Ok, ze zullen er de nodige moeite mee hebben, maar ik ben ervan overtuigd dat een beetje zichzelf respecterend medium een verdienstelijke poging zal doen om jouw naam correct uit te spreken. En voor pakweg een Chinees maakt het al helemaal niets uit, niet? Je denkt misschien wat te veel in je eigen levenssfeer. De wetenschap is verworden tot een mondiaal gegeven en jouw immense bijdrage aan onze vondst zal door de juiste mensen altijd onderkend worden.” 

Professor Coudenys had geen enkel tegenargument, behalve ‘ja maar, toch…’. Hij besefte maar al te goed hoe kleingeestig het was van hem om zich op te winden over zoiets banaal als een achternaam. Tegelijk wist hij dat professor Klein wist wat hij niet over de lippen kreeg. De spreekwoordelijke olifant in de kamer. Doodgemoedereerd fixeerde hij zijn blik op het broodje waarvan hij wist dat niet zou verminderen in omvang, tenzij geleidelijk aan onder invloed van rottingsprocessen onderin de vuilniszak. Zijn probleem was hetzelfde lot beschoren. Hij kon geen kant uit. Nu niet. Nooit niet.

Coudenys zou anders een goede naam zijn voor de ontdekker van het absolute nulpunt, vind je niet?”, grinnikte Klein in een poging om het ijs te breken.

“Ha, dat is waar”, antwoordde hij op automatisme, en het gevoel bekroop hem om ter plekke op te gaan in een rookwolk. “Harry, ik denk dat ik uiteindelijk toch niet veel honger heb. Ik ga al terug naar het bureau, denk ik.” 

“Wacht, ik kom mee. Deze koude schotel is ook niet bepaald een Nobelprijs waard. Help je me mijn plateau wegzetten?” 

“Natuurlijk”, bracht professor Coudenys er zo joviaal mogelijk uit. Hij nam het ding aan en plaatste het bovenop de stapel. En terwijl Klein hem voorop ging naar het bureau, met zijn korte, waggelende passen, overviel hem het idee dat het bijna onmogelijk moet zijn voor een dwerg als Klein om aan hink-stap-springen te doen.