woensdag 25 mei 2016

Maar om tot de kern te komen...




De eetruimte van het CERN was best wel gezellig ingericht. Misschien leek het gewoon zo. In contrast met de eerder klinisch witte bureau-omgeving zag eender welke refter er vrolijk uit. Het deed er op dat moment heel weinig toe, maar Professor Coudenys’ hoofd leek wel een grote wolk van chaos, waarbij gedachten schijnbaar willekeurig gevormd werden uit botsingen van allerlei gewaarwordingen. Hij zag figuren in de combinatie van witte en zwarte vloertegels, kubistische gezichten, gebouwen, onmogelijk te bespelen piano’s. De buzz in zijn hersenpan beperkte zijn normaal functioneren. Het voelde alsof hij nog nooit naar een buffet had gewandeld en dat elke beweging nauwlettend in de gaten gehouden werd door zijn collega’s, zijn passen analyserend, meteen overtuigd dat zij na controle in een gelijkaardige testomgeving ontegensprekelijk tot de conclusie zouden komen dat hij  ‘niet normaal bezig was’. Deze paranoïde gedachten waren natuurlijk niet bevorderlijk voor zijn toestand, waardoor hij aan het verkeerde uiteinde van het buffet uitkwam. Hij die daar al vijf jaar zijn lunch kwam nuttigen. De kluns die de helft vormde van de tandem toponderzoekers naar het kleinste deeltje ooit waargenomen. Veel kleiner dan die relatieve reus van een higgsboson.  

En nu was het zover. Ze hebben het bestaan van het deeltje vastgesteld. Verschillende keren, onder verschillende omstandigheden, met een statistische waarschijnlijkheid van meer dan negenennegentig procent. Een nieuwe mijlsteen in de wetenschap, een sprong voorwaarts voor de mensheid in zijn queeste naar complete kennis. Hij zag het al voor  hem: de publicaties, nieuwsitems, fotoshoots voor weekblad Science. Het kroonjuweel op een lange en geslaagde carrière. En toch. Hij zat met iets verveeld. Zo verveeld dat hij om  onduidelijke redenen een broodje met vissla bestelde. Hij at nooit vissla. Hij behoort tot het soort van mensen dat de vis graag in duidelijk onderscheiden vorm op zijn bord ziet, dus zeker niet verhakkeld en vermengd met ajuintjes en een halve pot mayonaise. Maar in zijn verwarring besloot hij plots om het nog eens een kans te geven. Hij nam uiteindelijk nog een cola, hopend dat de zoetigheid zijn lange tanden wat zou inkorten. ‘In realiteit zou de suiker dat ook doen’, merkte professor Coudenys op, maar hij wou verder niet ingaan op een de toevallige gelijkenis tussen een metafoor en de realiteit. Hij besloot zich te focussen op het afrekenen en dan een plekje te zoeken. Hij wendde zijn superieure analytische geest aan om planmatig te bepalen hoe hij van zijn huidige omstandigheid naar een plaats aan een tafel zou geraken. 

"Sinds wanneer eet jij vissla?"

Exit plannen. Achter hem schoof namelijk de man aan met wie hij nog geen tien minuten geleden het bureau had gedeeld. Zijn collega en co-leider van het onderzoeksteam naar het tot voor kort ongekende kleinste deeltje. De bron van zijn euvel. Professor Coudenys was blijkbaar zo ver van de wereld dat hij, als hij er een foto van zou nemen, enkel een bleek, blauw puntje zou zien in een zee van zwart. Als een minuscuul deeltje… Neen, neen, hij moest deze huiskamerfilosofie onmiddellijk staken en zijn collega van antwoord dienen of de situatie werd te ongemakkelijk. Zelfs voor de ruim bemeten omgangsnormen van wetenschappers. 

“Euh. Ik dacht, ik probeer eens iets anders, … Laten we daar apart gaan zitten.”  

In zijn verwarring had hij de ideale condities gecreëerd om tot een gesprek te komen in een informele sfeer. Nu moest hij hem ermee confronteren, ongeacht de gevolgen voor hun verdere samenwerking, ongeacht de schijnbare onbenulligheid van zijn probleem. Hij rekende af en probeerde zo nonchalant mogelijk op het tafeltje af te stappen. Dat lukte enigszins. Het vooruitzicht van een opgelucht hart had de stortvloed van gedachten gekanaliseerd tot een kolkende, maar beheersbare stroom. 

“En, Jan, wat wordt de volgorde, denk je”, zei de collega terwijl zich neerzette en wat achtergebleven kruimels van de tafel veegde. “Klein-Coudenys. Coudenys-Klein. Ik ben er zelf nog niet uit wat het beste klinkt.” 

Professor Coudenys monsterde het onappetijtelijke broodje en besloot om dan maar direct door de zure appel te bijten. “De volgorde is niet zozeer van belang. Ik meen dat hier het principe van commutativiteit van toepassing is. Maar jouw naam gaat sowieso beter blijven plakken bij het grote volk. Klein als ontdekker van het kleinste deeltje, dat is te mooi om waar te zijn. Je kan het een vorm van nominatief determinisme noemen. Alsof Herman Brood bakker zou worden. Of …” Hij vond even geen tweede voorbeeld.  

 “Alsof Bart de Wever een spin zou zijn?” 

“Nee, dat nu ook weer niet,” dacht professor Coudenys, maar hij zei “Ongeveer.” 

“Maar die definitie gaat voor mij toch niet op? Ik ben net als jij specialist in de kwantumfysica, een vakgebied waarin men bezwaarlijk op zoek is naar kleinigheden. Het heeft net iets dat groter is dan wat we kunnen bevatten. Ik zou dan eigenlijk Harry Kwantum moeten heten om de waarheid een beetje eer aan te doen. Of idealiter zou ik meerdere namen moeten hebben die telkens afzonderlijk én samen correct kunnen zijn. Al lijkt me dat in de realiteit die de burgerlijke administratie is, onmogelijk.” 

Professor Coudenys zou normaliter geamuseerd luisteren naar de pientere redeneringen van zijn trouwe onderzoeksmakker, maar er was iets geknakt in hem. Het besef was rijkelijk laat gekomen, zo laat dat hij zichzelf vervloekte dat hij er nooit eerder aan had gedacht. Zijn naam zou enkel binnen de academische gemeenschap bekend worden, daarbuiten zou Klein met alle aandacht gaan lopen.  

“Akkoord”, zei hij, “het is misschien wat kort door de bocht. Maar het komt wel mooi uit in dit geval. Neem daar nog bij dat mijn naam zo goed als altijd verkeerd uitgesproken wordt. Ze struikelen er in elke taal over, zelfs de onze. Op de duur gaan ze die gemakkelijkheidshalve weglaten in de berichtgevingen. Je weet toch hoe de media te werk gaat. Het moet  allemaal verstaanbaar blijven voor de man in de straat.”  

“Maar, Jan, het is toch ook geen Eyjafjallajökull, ofzo? Ok, ze zullen er de nodige moeite mee hebben, maar ik ben ervan overtuigd dat een beetje zichzelf respecterend medium een verdienstelijke poging zal doen om jouw naam correct uit te spreken. En voor pakweg een Chinees maakt het al helemaal niets uit, niet? Je denkt misschien wat te veel in je eigen levenssfeer. De wetenschap is verworden tot een mondiaal gegeven en jouw immense bijdrage aan onze vondst zal door de juiste mensen altijd onderkend worden.” 

Professor Coudenys had geen enkel tegenargument, behalve ‘ja maar, toch…’. Hij besefte maar al te goed hoe kleingeestig het was van hem om zich op te winden over zoiets banaal als een achternaam. Tegelijk wist hij dat professor Klein wist wat hij niet over de lippen kreeg. De spreekwoordelijke olifant in de kamer. Doodgemoedereerd fixeerde hij zijn blik op het broodje waarvan hij wist dat niet zou verminderen in omvang, tenzij geleidelijk aan onder invloed van rottingsprocessen onderin de vuilniszak. Zijn probleem was hetzelfde lot beschoren. Hij kon geen kant uit. Nu niet. Nooit niet.

Coudenys zou anders een goede naam zijn voor de ontdekker van het absolute nulpunt, vind je niet?”, grinnikte Klein in een poging om het ijs te breken.

“Ha, dat is waar”, antwoordde hij op automatisme, en het gevoel bekroop hem om ter plekke op te gaan in een rookwolk. “Harry, ik denk dat ik uiteindelijk toch niet veel honger heb. Ik ga al terug naar het bureau, denk ik.” 

“Wacht, ik kom mee. Deze koude schotel is ook niet bepaald een Nobelprijs waard. Help je me mijn plateau wegzetten?” 

“Natuurlijk”, bracht professor Coudenys er zo joviaal mogelijk uit. Hij nam het ding aan en plaatste het bovenop de stapel. En terwijl Klein hem voorop ging naar het bureau, met zijn korte, waggelende passen, overviel hem het idee dat het bijna onmogelijk moet zijn voor een dwerg als Klein om aan hink-stap-springen te doen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten