Ik ben vrij zeker dat ik WhatsApp aan het
checken was toen ik opkeek en je in de verte zag. Zo achteloos opvallend, zo innemend
dat je heel mijn aandacht opslorpte. Ik wist meteen dat ik je kant uit moest,
koste wat het kost. Maar hoe je te benaderen… Je leek compleet wars te zijn van
je omgeving en wat deze van je kon denken. Hoe zou ik dan ooit voldoende
indruk op je kunnen maken om je, al was het ook maar even, van koers te laten
veranderen? Ik ben namelijk niet het type patser dat zich moeiteloos in je
comfortzone manoeuvreert en je tot een reactie dwingt. Ondanks mijn geringe
hoop op een goede afloop, besloot ik ervoor te gaan.
Geleidelijk aan kwam ik dichter bij je, op een
manier die waarnemers zouden omschrijven als ‘nodeloos omfloerst’. Met iets meer panache
was je nu al op de hoogte van mijn bestaan, maar termen als panache, of charmant-nonchalant, of boerenbranie zijn geen termen die men met mij
associeert. Je merkte me zelfs niet op toen ik al vlak bij je was. De setting was
er, de scène kon beginnen, maar jij was nog steeds een figurant. Het was overduidelijk mijn taak om je in het plot te betrekken. En ik wilde meer dan alleen je aandacht;
ik wilde jouw reactie, je medewerking opdat dit alles in regel zou verlopen: ik
maak aanstalten, jij beantwoordt mijn gebaar en we leefden nog lang en gelukkig.
Maar ik voelde zoals wel vaker de angst voor ontgoocheling
opkomen. Het wordt toch allemaal weer niets. Ze hebben iets in
hun kop en zo zal het zijn, niet anders. Is het angst voor verandering? Is dat
waarom ze koppig hetzelfde patroon blijven volgen en nooit een keertje afwijken?
Of ligt het eerder aan mij? Kom ik niet snel genoeg to-the-point, misschien? Ben
ik te weinig overtuigend? De waarheid ligt natuurlijk ergens in het midden. Hoe
dan ook: ik had geen zin om een beetje vruchteloos aan te klampen. Na al die jaren weet ik dat nergens toe leidt, behalve dan tot frustratie.
De patstelling hield maar aan en je gaf nog steeds geen gewag aan mijn
aanwezigheid. Het leek me onmogelijk dat je nog geen glimp van me had opgevangen, zo dichtbij was ik. Mijn rationele kant wist zich geen blijf met deze aanhoudende ongemakkelijkheid, waardoor ik werd overgelaten aan de willekeur van mijn impulsen. Het
maakte mij niet meer uit wat goed was of slecht, correct of ongepast. Ik moest nu iets
ondernemen, die grens overschrijden, ongeacht de uitkomst. Als in een waas ging
ik uiteindelijk over tot de actie, begeleid door een mantra van inwendige vloeken: ‘Fuck it.
Fuck it. Fuck it! FUCK IT!!’
…
Je was waarschijnlijk ook Messenger of iets
dergelijks aan het checken, want je merkte mijn opgestoken middenvinger niet
eens op toen ik, moe getergd, je rechts inhaalde.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten